Methode BTmG

Bij verstoorde interactiepatronen is er spanning in het gezin. De onderlinge afstemming tussen ouders en kind bepaalt grotendeels de kwaliteit van de relatie tussen hen (Beelen, 2003). Er kan veel ruzie zijn of gezinsleden leven langs elkaar heen. Ouders en/of kinderen voelen zich klem zitten in een vaste onwenselijke manier van met elkaar omgaan (Van der Pas, 2009). Dit gaat ten koste van het plezier, de ontspanning en verbondenheid binnen het gezin. Ouders hebben moeite de metapositie in te nemen, laten zich teveel meeslepen door eigen emoties of die van andere gezinsleden en hebben moeite om de oudertaken uit te voeren (Van der Pas, 1996). De oudertaken zijn: veiligheid bieden, verzorgen, zicht houden op het kind, verwachtingen en eisen overbrengen en grenzen stellen. Ouders moeten hun eigen emoties kunnen reguleren, waardoor ze de oudertaken op het juiste moment en gedoseerd kunnen inzetten. Zij moeten zich aanpassen aan de behoeften, beperkingen en ontwikkelingsfasen van het kind. Wanneer er sprake is van gedrags- of stemmingsproblemen bij het kind, zullen ouders samen een antwoord moeten vinden op de vraag hoe zij daarmee omgaan. Omgekeerd zal het kind zich moeten aanpassen aan de wensen en de mogelijkheden van zijn ouders.

Doelgroep

Dit product is ontwikkeld voor gezinnen met kinderen van alle leeftijden, waarin de onderlinge interacties verstoord zijn, waardoor er onvoldoende plezier en ontspanning beleefd wordt door één of meer gezinsleden. Het kan ingezet worden bij alle gezinsvormen, dus ook een samengesteld gezin of pleeggezin of wanneer ouders gescheiden zijn, een ouder is komen te overlijden of een ouder ‘uit beeld’ is geraakt.

Indicaties

− Ouders voeren de oudertaken onvoldoende uit;

− Ouders nemen onvoldoende de metapositie in;

− Ouders laten zich teveel meeslepen door hun eigen emoties of die van de andere gezinsleden;

− Het kind of de ouder domineert: de hiërarchie in het gezin is verstoord;

− De onderlinge verbondenheid tussen de gezinsleden is verstoord;

− Gezinsleden ervaren te veel ruzie en te weinig plezier binnen het gezin;

− Het lukt ouders niet om voldoende af te stemmen op de behoeften van het kind of kinderen;

− Gedrags- en/of stemmingsproblemen van kinderen.

Contra-indicaties

− Het gezin heeft onvoldoende draagkracht om te veranderen door crisissituaties zoals:

− Een recente ingrijpende verandering in het gezin, zoals een overlijden of echtscheiding;

− Een acute psychose bij een of meer gezinsleden;

− Suïcidegevaar bij (een van) de ouders of kinderen;

− Geweld binnen het gezin;

− Acute stress door schulden of problematische huisvesting;

− Het gezin neemt deel aan andere therapieën waarin tegengestelde doelen zijn geformuleerd.

Doelen

Onderstaande hoofd- en subdoelen vormen een leidraad om tot gepersonaliseerde doelen te komen. Deze doelen worden in de tweede sessie met ouders vastgesteld in een positieve formulering.

Hoofddoel

Aan het eind van de behandeling zijn de interactiepatronen in het gezin verbeterd, waardoor er meer plezier en ontspanning wordt beleefd door de gezinsleden.

Subdoelen

Aan het eind van de behandeling:

− Reflecteren ouders op hun omgang met de kinderen en elkaar;

− Hebben ouders voldoende controle over hun eigen emoties, zodat ouders meer overzicht hebben en het gezin meer ontspanning ervaart;

− Voeren ouders de oudertaken uit, passend bij de ontwikkeling van de kinderen en hun eigen mogelijkheden:

− Ouders bieden fysieke en emotionele veiligheid door de kinderen te stimuleren, waarderen, troosten en verzorgen, zodat de kinderen meer plezier en ontspanning ervaren;

− Ouders houden zicht op het kind, zodat de kinderen zich veilig voelen om uitdagingen aan te gaan;

− Ouders brengen verwachtingen en eisen over op de gezinsleden, zodat iedereen aan de slag kan met zijn/haar taak;

− Ouders hebben de regie: zij stellen grenzen, zodat duidelijk is wat wel en niet mag en de kinderen hun taak uitvoeren volgens het plan van ouders.

− Laten de kinderen nieuwe vaardigheden zien in de omgang met anderen, zoals beter luisteren naar elkaar, overleggen en rekening houden met elkaars mogelijkheden en beperkingen;

− Hebben de kinderen minder last van gedrags- en stemmingsproblemen.

werkwijze

Het gezin oefent met nieuwe interactiepatronen tijdens het samen uitvoeren van beeldende opdrachten. De kern van de interventie is het componeren van opdrachten waarin het gezin succeservaringen opdoet en geloof in eigen kunnen opbouwt (Beelen, 2003). De therapeut componeert in de eerste fasen de opdrachten. Gedurende de therapie laat de therapeut de voorbereiding van de opdrachten steeds meer over aan de ouders. De beeldende opdrachten worden zo gecomponeerd dat de verschillende posities tussen ouders en kinderen worden vertaald in ouder- en kindertaken. De opdracht bevestigt altijd de regiehoudende positie van ouders.

Materialen

Om de beeldend opdrachten te maken wordt er met veel verschillende beeldende materialen gewerkt, afgestemd op de mogelijkheden en wensen van het gezin en die ook thuis gebruikt zouden kunnen worden. Beeldend materiaal als: papier, karton, teken - en schildermaterialen, hout en natuurmaterialen

Duur en opzet

Het BTmG protocol omvat tien bijeenkomsten van max. 75 min, bij voorkeur tweewekelijks. De bijeenkomsten worden begeleid door een Beeldend therapeut en een co-therapeut met een sociaal-agogische of psychologische achtergrond. Na de eerste bijeenkomst heeft elke gezinsbijeenkomst eenzelfde opbouw. Deze bestaat uit:

− Een voorbespreking van de ouders met de therapeut, over de beeldende opdracht en de doelen;

− In een andere ruimte doen de kinderen een activiteit met de co-therapeut om te werken aan hun individuele doelen (zoals leren je mening te geven);

− Een gezamenlijke beeldende activiteit met het gezin;

− Een korte nabespreking van het werkstuk met het hele gezin waarin zowel ouders als kinderen gevraagd wordt naar positieve momenten;

− Een nabespreking met de ouders, waarin gereflecteerd wordt op de positieve momenten. Er wordt besproken hoe het geleerde thuis geoefend kan worden, mogelijk met een beeldende huiswerkopdracht of via oefeningen die toegespitst zijn op de dagelijkse situatie begeleid en in samenwerking met het (professionele) netwerk van het gezin.

Therapeuten

− Zijn uitnodigend directief vanuit de ouderbegeleidende positie (Smits, 2008);

− Stimuleren de eigen kracht van ouders;

− Zijn congruent, de therapeuten brengen verbaal en non-verbaal dezelfde boodschappen over;

− Het is aan te bevelen dat de co-therapeut een ambulant gezinsbehandelaar is, die het gezin thuis helpt om de nieuw geleerde vaardigheden vanuit de therapie in de thuissituatie te gebruiken.

− Zijn een voorbeeld voor ouders in samenwerking. Het gaat dan bijvoorbeeld om de zorg voor het plannen en voorbereiden van de activiteiten, de open en transparante communicatie tussen de therapeuten en het tonen van belangstelling, waardering en enthousiasme (Van der Pas, 2005);

− Creëren een positief klimaat (Lange, 2006) door te benadrukken wat goed gaat. Door negatief gedrag van gezinsleden positief te her-etiketteren wordt het gedrag geplaatst als positieve functie binnen de interactie. Positieve sfeer en humor worden bewust ingezet om te komen tot verandering (Everts, 2013);

− Sluiten aan bij de cultuur en opvoedingsstijl van het gezin. Zij verbinden zich met de verschillende gezinsleden en creëren een context waarin de gezinsleden zich veilig voelen om te leren.

Onderbouwing

Beeldende vaktherapie met gezinnen werkt vanuit de ouderbegeleiding, de structurele gezinstherapie en vaktherapie beeldend. Vanuit de ouderbegeleiding zegt Van der Pas (1996) dat ouders de oudertaken op het juiste moment in moeten kunnen zetten en doseren vanuit hun metapositie. Door het uitvoeren van de beeldende activiteiten en daarop te reflecteren oefenen ouders met het inzetten en doseren van de oudertaken. Beelen en Wernink zeggen in Werkboek Gezins-creatieve therapie (2005): ‘De ouders blijven eindverantwoordelijk voor het grootbrengen van hun kind en daarom worden ze in de therapie ook benaderd als eindverantwoordelijken. Het ‘besef van verantwoordelijk-zijn’ is wat hen tot ouder maakt.’ In Gezins-creatieve therapie (2003) zegt Beelen: ‘De therapeut die uitgaat van de eindverantwoordelijkheid van de ouders voor hun kind zal de ouders helpen hun gedragsrepertoire uit te breiden zodat zij hun oudertaken aankunnen.’

De structurele gezinstherapie (Minuchin e.a. 1967,1974, 1978,1983) beschrijft de wijze waarop interacties georganiseerd zijn binnen het gezin. Voor een goed functionerend gezinssysteem moet het duidelijk zijn wie op welk niveau de beslissingen neemt. Dit moet meebewegen met de ontwikkelingsfase van het gezin (Berkvens& Robbe, 2014). De therapeuten maken gebruik van enactment. Dit betekent dat de gezinsleden uitgenodigd worden om middels een opdracht tijdens de bijeenkomsten hun interactiepatroon te veranderen (Berkvens& Robbe, 2014). Hiermee worden gezinspatronen in beeld gebracht en bewerkt met als doel positieve en gezonde interactiepatronen te ontwikkelen.
Om het effect van de interventie te meten worden schaalvragen gebruikt waarin gevraagd wordt naar ervaren plezier en ontspanning in het gezin. Schaalvragen zijn afkomstig uit de oplossingsgerichte benadering. Een schaal van 1 tot 10 is een concrete manier om, op basis van een begin- en eindmeting, inzichtelijk te maken wat de cliënt vindt over wat er bereikt is op het betreffende doel. (Visser, Schlundt Bodien, 2009).
Beelen ontwierp een sjabloon met evaluatievragen op gemeenschappelijke aspecten toegespitst op de verschillende gezinsleden (Beelen, 2003).

Binnen vaktherapie werkt men ervaringsgericht. In de BTmG worden de opdrachten door de therapeut zo gecomponeerd dat ze succesvol kunnen worden uitgevoerd. De beeldende opdrachten worden afgestemd op de leeftijden, interesses en vaardigheden van de gezinsleden, waardoor de opdrachten ‘te doen’ zijn voor alle gezinsleden. De beeldend therapeut is zo thuis in het aanbod van materialen, dat zij weet welke uitwerkingen deze hebben op degenen die ermee werken. De kans op het ervaren van plezier en ontspanning wordt hiermee vergroot en ouders en kinderen gaan ieder met hun eigen doelen aan de slag. Het concrete karakter van beeldende therapie maakt het reflecteren makkelijker doordat ieder ziet en beleeft wat hij doet. Doordat er op praktisch niveau gereflecteerd wordt is dit product ook geschikt voor mensen met een beneden gemiddelde intelligentie.

BTmG vindt haar basis in de methode van de Gezins-Creatieve-Therapie (Beelen, 2003, 2004), welke voortkomt uit de Interactieve methode van Beelen (2000) die het werken in het hier en nu centraal stelt. Men gaat er vanuit dat ieder gedrag ontstaat in interactie. Verandering van gedrag binnen het gezin zal ook in interactie geleerd moeten worden. Tijdens het samenwerken worden de interacties zichtbaar en oefent men met nieuwe manieren van omgang.

Rankanen (2014) beschrijft dat beeldende therapie in een groep gevoelens oproept van gemeenschappelijkheid en zelfreflectie. Positieve feedback roept gevoelens van trots en plezier op. Ook voor gezinnen, tevens een groep, gelden bovenstaande uitspraken.

Een voorbeeld uit de praktijk
Vader hoort van zijn dochter “dat hij zo goed vissen kan tekenen!”. Hij had niet gedacht dit te ontvangen van zijn dochter. De therapeut laat hem zijn aandeel hierin zien: hij schonk aandacht aan het werk van zijn dochter, keek er niet alleen naar maar zei er ook iets over, namelijk “Hee, een plakvis!”. Daarop keek zijn dochter naar het werk van vader. Dit werd spontaan een compliment. Vader geeft aan dat hij merkt dat het steeds gemakkelijker is om op deze manier aandacht te schenken aan zijn kind. Moeder hoeft hierdoor haar aandacht minder te verdelen en heeft meer ruimte om haar jongste kind te helpen, waardoor die zijn taak beter kan volbrengen.

Werkzame elementen

− De gezinsleden oefenen met nieuwe samenwerkingsvormen en vaardigheden;

− Tijdens het uitvoeren van de beeldende opdracht oefenen ouders met de oudertaken;

− Tijdens het werken reflecteren ouders op zichzelf, elkaar, de kinderen en de opvoedsituatie;

− Tijdens de gedetailleerde voor- en nabespreking van de beeldende opdracht reflecteren ouders op hun oudertaken;

− Gesprekken met ouders vinden zonder de kinderen plaats, zodat ouders vrijuit kunnen reflecteren. Hierdoor behouden zij hun ouderpositie en worden de kinderen niet belast met volwassen problematiek (Van der Pas, 2014);

− Ouders voeren zelf de opdracht uit met de kinderen, de therapeuten doen niet mee. Doordat de therapeuten vanaf de zijlijn positieve feedback aan ouders geven door een teken dat vooraf met de ouders is afgesproken, weten de ouders dat ze handelen conform hun doelen, zonder dat het samenwerken van het gezin verstoord wordt;

− Het gezin neemt het product mee naar huis waardoor de succeservaringen ook thuisblijvend zichtbaar zijn en het gezin herinnerd wordt aan wat ze aan het oefenen zijn;

− Het geleerde wordt met (beeldend) huiswerk geoefend in de thuissituatie (Lange, 2006);

Literatuur

Beelen, F. (2003). Basisboek Gezins-creatieve-therapie. Systeembeïnvloeding, ouderondersteuning in creatieve therapie beeldend. Houten/Mechelen: BohnStafleu Van Loghum.

Beelen, F. (2004). Wessel en zijn ouders in Gezinscreatieve therapie. Tijdschrift Ouderschap & ouderbegeleiding 7 (3) 328-246.

Beelen, F.& Wernink, P. (2005). Werkboek Gezins-Creatieve-Therapie, voor creatief therapeuten beeldend, die werken met ouders van kinderen met een verstandelijke beperking. Houten/Mechelen: BohnStafleu Van Loghum.

Beelen, F.& Smits, M. (2009). Gezinscreatievetherapie. In C. Schweizer (red.). Handboek Beeldende Therapie. Houten/Mechelen: BohnStafleu Van Loghum.

Berkvens, E.& Robbe, M. (2014). Structureel perspectief. In A.Savenije, M.J.vanLawick&E.T.M.Reijmers (red.). Handboek Systeemtherapie. Utrecht: De Tijdstroom.

Everts, S. (2013). Positieve Gezinstherapie.Gebruik maken van de kracht van positieve emoties. Tijdschrift voor Systeemtherapie 25(3) 128-143.

Hoek, M. en Miley, H. (2015).Ouderschapsgroei en bufferprocessen. Amsterdam: Uitgeverij SWP.

Klerk, M. de e.a. (2012). 'Zorgen voor meervoudige problemen. Achtergrondstudie uitgebracht door de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg ten behoeve van het advies "De bomen en het bos: de patiënt, zijn vraag en het landschap". Den Haag: RVZ.

Lange, A. (2006).Gedragsverandering in gezinnen. Groningen:Martinus Nijhoff.

Minuchin, S., Montalvo, B., Guerny, B.G., Rosman, B.L. & Schumer, F. (1967). Families of the slums: An exploration of their structure and treatment. New York: Basic Books.

Minuchin,S. (1974). Families and family therapy: A structural approach. Cambridge, MA: Harvard University Press.

Minuchin, S. (1978).Psychosomatic families. Cambridge,MA:Harvard University Press.

Minuchin, S. (1983). Gezinsstructuur en technieken. Deventer: Van LoghumSlaterus.

Pas, A. van der (1996). Handboek Methodische ouderbegeleiding, deel 2. Naar een psychologie van ouderschap. Amsterdam: Uitgeverij SWP.

Pas, A. van der (2005). Over het belang van plakogen. Protocollen in de Gezins-Creatieve-Therapie. Tijdschrift voor Vaktherapie1 (2) 21-25.

Pas, A. van der (2009). Parentificatie, wat doen we ermee? Bijdrage studiedag “Omgaan met kinderen in de ouderrol” op 8 oktober 2009 te Eindhoven.

Pas, A. van der (2014). Ouderschap. Een systemisch universum. In A.Savenije, M.J.van Lawick& E.T.M.Reijmers (red)Handboek Systeemtherapie. Utrecht: DeTijdstroom.

Rankanen, M. (2014). Clients’ positive and negative experiences of experiential art therapy group process.The Arts in Psychotherapy 41 (2) 193-204.

Schweizer, C. (2009). Handboek Beeldende therapie, Uit de verf. Houten: BohnStafleu van Loghum.

Smits, M. (2002). Creatieve therapie met gezinnen. Een module. Tijdschrift voor Creatieve Therapie 21 (1) 25-32.

Smits, M. (2008). De do’s en de do-nots in beeldende therapie met gezinnen. Tijdschrift voor vaktherapie 4 (1) 27-31.

Visser, C., Schlundt Bodien, G. (2009). Doen wat werkt. Oplossingsgericht werken, coachen en managen, Van Duuren Management, 2de druk.

Voor informatie en aanmelding

Madelon Smits
Tel - 06 44 55 41 69
Email - m.smits@mexhelpt.nl
FvB : 863

Xaviera van Maanen
Email - x.v.maanen@mexhelpt.nl
SKJ: 110009714

Opleiding BTmG en TOJ
L.J.Costerstraat 5
6827 AR Arnhem

KvK: 66312973
Rabobank: NL76 RABO 0311 7649 32

Downloads
Aanmeldformulier